K-TRON BENELUX B.V.

De handling en processing van droge stoffen gaat in vele gevallen gepaard met het nauwkeurig doseren en wegen van zowel droge grondstoffen als vloeistoffen. K-Tron Benelux B.V. is een verkooporganisatie, die oplossingen biedt en levert voor deze applicaties.
Zij staat daarbij indirect contact met het Europese hoofdkantoor van K-Tron. Bij de realisatie van de projecten werkt K-Tron Benelux B.V. veelal intensief samen met de bedrijven Jongerius Verder B.V. en Govatec NV.

 

Nauwkeurig doseren vanaf 20 gr/hr.

Januari 2006

 

De nieuwe K-TRON M12 dubbel doseerschroef

Voor de pharmaceutische- en hoogwaardige chemische – en voedingsmiddelenindustrie ontwierp K- TRON een geheel nieuwe minifeeder voor doseercapaciteiten vanaf 20 gr./hr.

Belangrijkste ontwerpeisen daarbij waren:
  • Extreem nauwkeurige dosering, ook bij slecht stromende producten
  • Minimale hoeveelheid restproduct in systeem
  • Modulaire opbouw en snel demontable
  • Eenvoudig en 100 % reinigbaar
Aan deze eisen wordt invulling gegeven, door het toepassen van zeer nauwkeurig geslepen concav dubbelschroeven Ø 12 mm. in combinatie met een lange schroefinloopzone waardoor een gelijkmatige schroefvulling wordt bereikt. Een meedraaiend schraaproerwerk over een vlakke bodem zorgt daar bij voor het volledig leegdraaien. Door het gebruik van monoblock bouwdelen en snelspanvoorzieningen is de reiniging binnen zeer korte tijd uitgevoerd.

De M12 is leverbaar naar keuze, als standaaruitvoering in chemisch vernikkeld aluminium en product contactdelen RVS, of kompleet uit RVS.
Voor gravimetrische toepassing wordt de M12 op een compacte platformweegschaal gebouwd waarbij gebruik wordt gemaakt van de bekende K-Tron “Smart Force Transducer” weegtechniek met ingebouwde microprocessor en digitale uitfilteren van van stoorsignalen.

 

K-Tron Expands Bulk Solids PumpTM (BSP) Feeder Line Adding BSP-150-P and BSP-135 Models

November 2005

 

 

The K-Tron Process Group has expanded the company’s award winning Bulk Solids Pump™ (BSP) feeder line, adding two new models, the BSP-135 and the BSP-150-P. Volumetric and gravimetric versions of each model will be available. The BSP-135 loss-in-weight feeders can be configured using a platform scale, three-point or one-point suspension weighing. The BSP-150-P can be configured as a loss-in-weight feeder using three-point suspension weighing.

K-Tron’s BSP feeders do not use the usual screws/augers, belts or vibratory trays to convey the material. They utilize positive displacement action to feed free flowing materials with astounding accuracy, offering uniform discharge, consistent volume and gentle handling. The BSP feeders have vertical rotating discs that create feeding ducts. Material moves smoothly from storage hopper to discharge outlet through a “product lock-up zone,” achieving true linear mass flow. With no pockets or screws and only one moving part, these compact feeders are cleaned in seconds, making them ideal for applications with frequent material changes.

The BSP-135, like the BSP-100, is constructed from aluminum. The BSP-135 features three feeding ducts and will replace the BSP-125, which had two ducts, extending the feed rate range to 155 cubic ft/hr (4400 cubic dm/hr).

The BSP-150-P features a plastic feeder body constructed of carbon reinforced PBT, giving it excellent strength and durability and allowing it to be economically priced. The BSP-150-P has proven itself to be a reliable workhorse in feeding a variety of plastics pellets and granules in a number of beta sites over the last year.

The complete BSP feeder family now consists of:

  • BSP-100-- feeds from 0.07 to 14 cubic ft/hr. (2 to 400 cubic dm/hr.) using two discs to create one feeding duct; features aluminum body and uses a stepper motor
  • BSP-135-- feeds from 0.8 to 155 cubic ft/hr (22 to 4400 cubic dm/hr.) using four discs to create three feeding ducts; features aluminum body and uses a stepper motor
  • BSP-150-S —feeds from 1.2 to 237 cubic ft/hr. (34 to 6700 cubic dm/hr.) using five feeding discs to create four feeding ducts; features stainless steel feeder body and uses a stepper motor.
  • BSP-150-P —feeds from 1.6 to 318 cubic ft/hr. (46 to 9000 cubic dm/hr.) using six discs to create five feeding ducts; features plastic feeder body and uses a DC motor.

All four models offer 100:1 motor turn down and are available in volumetric and gravimetric configurations.

 

K-Tron introduces Next Generation of SmartConnexTM Feeder Controls

October 2005

 

K-Tron is introducing the next generation of SmartConnex™ Feeder Controls, the K-Tron Control Module (KCM). The KCM controller harmonizes the full functionality of the two previous levels of controls into a single compact new housing, offering more flexibility and even better performance. In 1999, K-Tron first introduced SmartConnex™ feeder controls, combining the motor drive and feeder control functions in one box mounted at the feeder.

The K-Tron Control Module (KCM) integrates the control and motor drive modules directly on the feeder, with an option for remote mounting for special industrial environments. The KCM is available with integrated operator interface keypad display or as a “blind” cover with status display. It can also be used with all three remote K-Tron operator interface choices: KSU II for one feeder at a time, KSL Line Control for up to eight feeders in one line and KSC Smart Commander, a PC based interface for up to 30 feeders in multiple process lines.

The KCM can function as either a volumetric or gravimetric feeder controller and supports all K-Tron feeders that are equipped with SFT II or SFT III load cells. This includes volumetric feeders, loss-in-weight feeders, weigh belt feeders, Smart Flow Meters and PID applications. Units can be interfaced with DC motors, stepper motors, vibratory drives or AC motors.

The KCM readily connects directly to virtually any plant PLC. Protocols currently available for the KCM include Modbus RTU, Modbus +, Modbus/TCP, Allen Bradley DF1, Device Net, Ethernet/IP and Profibus DP and the selected protocol is mounted inside the KCM. Communications settings as well as data register organization and machine control functions are configured using a windows based PC program. The KCM comes with standard “built-in” configuration files to allow for quick and easy feeder start up.

The KCM incorporates screw speed modulation, a unique algorithm that can improve the short-term feeder accuracy on single screw feeders by up to a factor of two. Non-uniform feeding caused by normal pulsation from the screw is compensated for by varying the screw speed to eliminate pulsations. The KCM also includes built-in support for K-Tron PCS self-contained or single central receivers with HCU controls.

The KCM meets IP 65/ NEMA 4 standards and is suitable for use in hazardous area zone ATEX 3D or NEC Class II Div II. It offers 100:1 speed turndown, except when used with AC motor drive.

 

De perfecte menginstallatie

September 2005

 

 

  • Naar keuze VOLUMETRISCHE of GRAVIMETRISCHE uitvoering
  • Tot 4 verschillende grondstoffen
  • Maximum capaciteit 1600 kg/uur
  • Precisie van 0,1% op mengratio
  • Gemakkelijk te reinigen
  • Snelle productwissels mogelijk
  • Geschikt voor granulaat, pellets, maalgoed, regrind, ...

 

Recept-optimalisatie met spreadsheet

Mei 2005

De K-Tron Feeder Group in Pitman, NJ (USA) heeft een spreadsheet in Excel ontwikkeld waarmee recepten tegen de laagst mogelijke kosten kunnen worden samengesteld. Gebruikers dienen in het 'FeedSmart' spreadsheet het minimum en maximum aandeel van elke component in te voeren, samen met de kosten van de component, de doseernauwkeurigheid en productiegegevens zoals het aantal productie-uren per jaar. Het spreadsheet bepaalt vervolgens de voordeligste samenstelling van het recept, waarbij dure componenten zoveel mogelijk worden vervangen door minder dure componenten. Het programma berekent ook de besparingen die kunnen worden gerealiseerd door te investeren in een nauwkeuriger doseersysteem. De 'FeedSmart' kan na registratie gratis worden gedownload vanaf de website www.ktron.com/cutcosts.

 

Wegen en doseren
Navulling van doseersystemen

Mei 2005

 

De navulling door een K-Tron Hurricane filterless installatie

Het navullen van een loss-in-weight doseersysteem (bijvoorbeeld hopper met schroef) is minder eenvoudig dan het lijkt. Immers, op het moment dat de hopper wordt nagevuld, kan geen gewichtsafname worden gemeten. Toch blijft het systeem doseren. Het stapt daarbij tijdelijk over van gravimetrische op volumetrische dosering. De wijze van navulling bepaalt in hoge mate de nauwkeurigheid van het totale doseersysteem. Dankzij de innovatieve ‘Smart Refill Technology’ (SRT) van
K-Tron wordt ook tijdens het navullen een hoge nauwkeurigheid gewaarborgd.

Loss-in-weight doseersystemen worden toegepast in batch- en continuprocessen. Het principe berust op het meten van de gewichtsafname van een hopper met het te doseren product. De doseerinrichting is daartoe gekoppeld aan een weegsysteem. Overigens kan men bij batch-processen ook de gewichtstoename van het ontvangende vat meten. Men spreekt dan van gain-in-weight systemen. Het navullen is hier niet van directe invloed op de doseernauwkeurigheid. Gain-in-weight systemen worden daarom in dit artikel niet aan de orde gesteld.
De hopper van een loss-in-weight doseersysteem wordt in de regel nagevuld vanuit een bovengelegen voorraadvat. Dit gebeurt zodra het gewicht van het product in de hopper zodanig is gedaald, dat de ingestelde ondergrens (minimum-navulgewicht) wordt bereikt. Het doseersysteem schakelt dan over van gravimetrisch doseren op volumetrisch doseren. Dit betekent dat het product in principe iets minder nauwkeurig wordt gedoseerd dan bij gravimetrisch doseren het geval is.
Het is echter van groot belang dat ook tijdens het navullen een maximale doseernauwkeurigheid wordt gerealiseerd. Afwijkingen tijdens het navullen kunnen leiden tot een over- of onderdosering. Bij een continu-proces moet bovendien de juiste hoeveelheid product per tijdseenheid worden gedoseerd. Zelfs al wordt bij een continu-proces exact x kg/uur gedoseerd, dan nog kan de productie waardeloos blijken als tijdens het navullen grote afwijkingen in de doseercapaciteit optreden. Het toegevoerde materiaal is dan immers ongelijkmatig over de geproduceerde partij verdeeld.

Grote hopper
Dit zou de indruk kunnen wekken dat de navulling zo kort mogelijk moet duren of zelfs geheel moet worden vermeden. Men zou de hopper dermate groot kunnen maken, dat deze niet vaak behoeft te worden nagevuld. Toch heeft een dergelijke ‘oplossing’ meer nadelen dan voordelen. Het navullen, wanneer het dan toch nodig is, zou veel tijd in beslag nemen. Tenzij een investering wordt gedaan in een navulsysteem met grote capaciteit. Een belangrijker bezwaar is echter dat een te grote hopper de weegcapaciteit nadelig beïnvloedt. De hoeveelheid te doseren product is dan in vergelijking met het totale gewicht van de hopper met inhoud zo klein, dat de gevoeligheid van de weegcel (het opdelend vermogen) te laag wordt. Om dezelfde reden kan men geen postzegels wegen op een personenweegschaal.

Snelle navulling
Het zo snel mogelijk navullen van een hopper is evenmin een oplossing. De verstoring van het weegsysteem door de val van product in de hopper is groter dan een eventuele afwijking door volumetrisch te doseren. Daarbij is het gevaar van overvullen niet denkbeeldig. Bovendien is snel navullen ook niet nodig om een hoge nauwkeurigheid te waarborgen. Veel hangt af van de aard van het stortgoed en de toegepaste volumetrische techniek. Eén methode is om het motortoerental van de doseerschroef te handhaven op laatst bepaalde waarde. Tijdens het navullen doseert het systeem als het ware ‘blind’ door.
Bij een niet te grote hopper duurt die periode kort. Naar analogie met het auto rijden is het beter enkele keren kortdurend, dan éénmaal een lange periode ‘blind’ te werken. Het handhaven van een bepaald, constant toerental is met name bij goed stromende materialen een geschikte techniek.

Referentiemodus
Het is echter ook mogelijk om het toerental tijdens het navullen te laten verlopen met behulp van een referentiemodus. Deze ‘Smart Refill Technology’ van K-Tron is van belang als de vulgraad van de schroef afhankelijk is van de hoeveelheid product in de hopper. Bij sommige materialen neemt de vulgraad van de schroef af, wanneer de hoeveelheid product in de hopper vermindert. In zo’n geval neemt het toerental tijdens het gravimetrisch doseren geleidelijk toe. Het toerental als functie van de hopperinhoud wordt in de referentiemodus opgeslagen en tijdens het navullen hieruit weer opgehaald. De nauwkeurigheid tijdens het navullen is dan maximaal gewaarborgd. Deze optie is niet altijd noodzakelijk en kan daarom worden uitgeschakeld.

Ontwerpcriteria
Loss-in-weight doseersystemen kunnen dus het beste regelmatig worden nagevuld vanuit een goed ontworpen navulsysteem. Als vuistregel geldt dat een doseerhopper tien tot dertig keer per uur moet worden nagevuld, telkens gedurende 10 tot 30 seconden. De navulcapaciteit bedraagt circa tien maal de doseercapaciteit. Het navulvolume bedraagt over het algemeen 60% van het hoppervolume. Dit betekent dat de navulling begint als de hopper nog voor circa 20% gevuld is en stopt als de hopper voor 80% gevuld is. Bij een fluïdiserend product zal de ondergrens hoger komen te liggen, bijvoorbeeld bij 40% of 50% van het hoppervolume. Dit voorkomt dat het product tijdens het navullen door de doseerschroef schiet en een ongecontroleerde dosering plaats vindt. Het beëindigen van de navulling bij 80% hoppervulling gaat overvulling als gevolg van de responstijd en de naval van het product tegen. Op basis van deze gegevens kan ongeveer het volume van het voorraadvat boven het doseersysteem worden bepaald. Deze voorraad dient niet al te groot te zijn.

Navulcapaciteit
Het ontwerp van het navulsysteem wordt onder meer bepaald door de stromingseigenschappen van het product. Het product moet namelijk beheerst en reproduceerbaar worden toegevoerd. Tevens spelen de beschikbare ruimte, veiligheidsvoorschriften en economische randvoorwaarden een rol. Ook moet vaak aan sanitaire eisen worden voldaan.
Het eenvoudigste navulsysteem bestaat uit een voorraadvat met afsluiter, bijvoorbeeld een vlinderklep, schuif of quetschventiel. Men dient zich te realiseren dat de navulcapaciteit van dit systeem niet of slecht regelbaar is. Een trilgoot, schroef of transportband geeft meer grip of de navulcapaciteit. Tevens kunnen deze apparaten een afstand overbruggen tussen de voorraadopslag en het doseersysteem. De trilgoot wordt bijvoorbeeld ingezet voor breukgevoelige producten, zoals glasvezels. De schroef is meer universeel inzetbaar, maar minder gemakkelijk te reinigen. Wel treedt bij deze apparaten naval op. Dit nadeel kan men ondervangen door de genoemde afsluiters toe te passen of door gebruik te maken van bijvoorbeeld cellenradsluizen, conische afsluiters of diafragma-afsluiters. Tril- en beluchtingsbodems in het voorraadvat vereenvoudigen de uitstroom van slechtlopend product. Deze bodems moeten altijd zijn voorzien van een afsluiter om de uitstroom volledig te kunnen stoppen. Het conische uitdraagsysteem van Matcon combineert een goed regelbare productstroom met een volledige, stofvrije afsluiting.

Krachten
Ter voorkomiong van onevenredige naval geldt voor alle navulsystemen dat ze zo dicht mogelijk boven de doseerhopper moeten worden gepositioneerd. Tevens verdient het aanbeveling om het instromende product zo gelijkmatig mogelijk in de hopper te verdelen. Dit betekent dat de productinloop zich het beste in het midden van de hopper kan bevinden. Bij een grote hopper kan bovendien een verdeelhoed (‘Chinese hat’) worden geïnstalleerd. Deze verdeelt het instromend product en dempt tijdens het navullen de verticale krachten op de hopper.
Hoewel het navul- en doseersysteem een zekere eenheid vormen, mag het navulsysteem tijdens het gravimetrisch doseren geen krachten uitoefenen op het verwegend opgestelde doseersysteem. Dit geldt uiteraard ook voor het ontluchtingssysteem en andere randapparatuur. Het doseerresultaat zou daardoor nadelig worden beïnvloed. Om toch stofdicht te kunnen werken, zijn tussen het navul- en doseersysteem flexibele verbindingen nodig (bijvoorbeeld op basis van siliconen), eventueel voorzien van drukcompensatie en afzuiging.
De optredende krachten zijn alleen negatief tijdens de gravimetrische dosering. Wanneer de omschakeling van volumetrische naar gravimetrische dosering na de navulling lang genoeg wordt vertraagd, kan het systeem zich stabiliseren. Een schommeling in de besturing wordt dan vermeden. Het blijft echter raadzaam de selectie van de ontluchting voldoende aandacht te geven (zie kader).

Controle
Om te controleren of het navulsysteem inderdaad geen kracht uitoefent op het doseersysteem, kan een ijkgewicht op de weegschaal worden gelegd. Men controleert of de aangedreven gewichtsverandering overeenkomt met het ijkgewicht. Na verwijdering van het ijkgewicht kan men checken of de aanduiding naar de oorspronkelijke waarde terugkeert. Deze controle is regelmatig nodig. Overigens zal bijvoorbeeld een moersleutel die per ongeluk op de hopper is blijven liggen, het gravimetrische doseerproces niet verstoren. Het systeem meet immers een gewichtsafname.
Kritische verbindingspunten zijn vooral de productinloop- en uitloop en het ontluchtingssysteem. Productophoping kan worden vermeden door de inloop van de doseerhopper een grotere diameter te geven dan de uitloop van het navulsysteem. Ook het aankoeken van product in de hopper moet worden vermeden. Anders loopt men het risico dat het minimum navulgewicht niet meer kan worden bereikt, waardoor de hopper zelfs kan leeglopen en niet meer wordt nagevuld.

Ontluchting doseersysteem
De meest eenvoudige oplossing om een doseersysteem te ontluchten, is het plaatsen van een filterkous op de ontluchtingsopening van de hopperdeksel. De maaswijdte van de kous hangt af van de deeltjesgrootteverdeling van het te doseren product. De filterkous moet regelmatig op verstopping worden gecontroleerd, omdat anders in de hopper een overdruk kan ontstaan. Deze oplossing leent zich echter niet voor alle producten. Zeer fijne en/of toxische producten zouden namelijk kunnen doorslaan. In dergelijke gevallen dient men te kiezen voor een ontluchting middels een afzuigsysteem. Dit kan via een open of gesloten verbinding. Bij een open verbinding wordt een afzuigkap vlak boven de ontluchtingsopening geplaatst. De omgevingslucht wordt mee aangezogen, zodat in de hoppper geen onderdruk ontstaat.
Wanneer stofontwikkeling in de doseeromgeving ontoelaatbaar is of het product niet in aanraking mag komen met de buitenlucht, dient de afzuigleiding flexibel te worden verbonden met de doseerhopper. Hierbij moet men erop letten dat geen (zuig)kracht op de hopper wordt uitgeoefend. Een horizontale flexibele verbinding heeft dan de voorkeur, eventueel in combinatie met een gestuurd afzuigsysteem dat tijdens het navullen wordt ingeschakeld.

 

Smart Dosing Solutions

Mei 2005

 

 

  • Grote nauwkeurigheid
  • Snel reinigbaar
  • Enkele, dubbele schroef of trilgoot
  • Zeer groot regelbereik 1:100

Voor: poeders - granulaat - glasvezel